Write-along #9 – De wegen terug, deel 1 tot 6
Op 25 december 2025 ging de negende write-along van start met als titel: De wegen terug.
Een write-along betekent: tegelijkertijd met andere deelnemers werken aan eenzelfde project, waar je 12 dagen lang, elke dag een kleine schrijfopdracht per mail ontvangt. Aan het eind van die periode heb je een kort verhaal geschreven! Een write-along is er voor iedereen die van schrijven houdt: taalprofessionals en amateurs. Er zijn geen toelatingseisen dan avontuurlijk zijn en perfectionisme kunnen loslaten. De uitwerking kan in de speciale Discordserver worden gedeeld. Ik deed dat ook, samen met Tine.
Om mezelf te blijven motiveren deel ik deze week de eerste zes bijdragen op deze blog en volgende week de laatste zes.
Voel je vrij om een reactie te plaatsen onderaan dit bericht.
DE WEGEN TERUG
1.
Heerlijk zo’n saunabeurt. Wat had hij hier naar verlangd. Hij voelt hoe zweetdruppels langzaam langs zijn wangen hun weg zoeken naar zijn hals. Met zijn wijsvinger probeert hij een druppel op te vangen voor het tussen zijn borstharen verdwijnt. Euh? Wat is dit? Dit kan toch niet? Gekleed in de sauna?!? Hij knippert met zijn ogen want het zonlicht verblindt hem. Euh? ‘Waar ben ik, wat doe ik hier,’ vraagt hij zich verdwaasd af. Met zijn rechterhand boven de wenkbrauwen kijkt hij rond. ‘What the fuck, what the fuck,’ schreeuwt hij. Nu hij de echo van zijn eigen stem hoort, realiseert hij zich pas echt dat hij niet droomt. Hij zit in de bergen, meer zelfs hij zit op een steen en blijkbaar al een hele tijd want zijn gat doet zeer. Hij heeft geen idee waar hij zich precies bevindt, noch hoe hij hier is geraakt, laat staan waarom. Hij schraapt in zijn geheugen enkele vage herinneringen bij elkaar: avond, kroeg, ronde tafel, makkers, Brugse Zot, weddenschap…
2.
Hij wil hier zo vlug mogelijk vandaan, naar de bewoonde wereld. Naar beneden dus, want naar boven maakt hij minder kans om hulp te vragen. Daar vindt hij hoogstens een boer die in de zomer over zijn dieren in de alpenweiden waakt. Neen, naar beneden wil hij. Maar oh wee, het pad is steil en o zo smal. Links ziet hij de afgrond en rechts belet de bergwand hem om uit te wijken. De weg is net breed genoeg om twee voeten naast elkaar te zetten. De schrik slaat hem rond het hart wanneer hij de proef op de som wil doen. Hij draagt geen berg- of wandelschoenen maar zijn nieuwe lederen schoenen die hij de voorbije dagen aantrok, kwestie van ze in te lopen tegen zijn trouw. Een bergpad afdalen op lederen zolen, dat wordt een hele uitdaging. Maar het moet. Hij kan er maar best aan beginnen en onderweg opletten voor gaten in de grond waaruit zomaar een marmottenkopje kan verschijnen. Hij herinnert zich dat die hun territorium vaak met geurstoffen uit hun wangen afbakenen maar ook uitwerpselen achterlaten. Uitkijken dus en dat doet hij want het is nodig. Her en der liggen kleine, donkere, glanzende keutels die vaak in groepjes bij elkaar liggen. Marmotten zijn hier niet de enige bewoners.
3.
Voetje voor voetje schuifelt hij naar beneden terwijl hij zich probeert rechtop te houden. Gelukkig is de zon achter de wolken verdwenen. Er steekt zelfs een fris windje op. De inspanningen zorgen niet alleen voor hevige transpiratie op zijn lijf, het zweet parelt ook op zijn voorhoofd en bovenlip. Automatisch tast hij in zijn broekzak op zoek naar een zakdoek. Hij vindt zowaar een groot exemplaar in katoen en nog een in zijn achterzak. En dat brengt hem op een lumineus idee. Na het deppen van zijn zweet bindt hij de snuitdoek rondom zijn linkerschoen en dat doet hij ook rond zijn rechter. Dat scheelt een stuk op de borrel bij het afdalen van het bergpad. Wanneer hij eindelijk het dorp bereikt is de avond reeds gevallen en besluit hij om er te overnachten. Hij bedenkt hij dat hij vandaag een les heeft geleerd: ‘Ga nooit op stap met nieuwe schoenen. Loop ze thuis in.’
4.
Nu zijn voeten geen aandacht meer vragen gaan er andere alarmbellen af. Zijn maag knort heviger dan een varken, zijn mond lijkt wel een woestijn. De hoogste tijd om zijn innerlijke mens te versterken en een bed voor de nacht te zoeken. Op een VVV of dienst voor toerisme hoeft hij in dit dorp niet te rekenen, op een hotel evenmin. Er zit niets anders op dan aan te kloppen bij de boerderij die voor zijn neus opduikt. Niet dat hij veel te kiezen heeft want er is in de verste verte geen huis meer te bespeuren. Het zit hem echter niet mee want op zijn geklop wordt er niet gereageerd, met uitzondering van een blaffende hond ergens op het erf. Gelukkig kan hij op de maan rekenen om hem te begeleiden terwijl hij op zoek is naar een deur die niet op slot is. Hij duwt een deurtje open en stapt resoluut naar binnen. Door het kleine raam werpt de maan haar licht op een konijnenhok met twee verdiepingen. Naast het hok staat een grote plastic zak gevuld met oud brood. Eindelijk, eindelijk eten, denkt hij. In zijn haast om in die zak te grabbelen struikelt hij bijna over enkele vijf liter flessen … plat water. Hij jubelt. Nadat hij zich te goed heeft gedaan aan brood en water gaat hij verder op verkenning in de schuur. Aan de muur hangt een grote zaklamp waarvan hij gretig gebruik maakt om op zoek te gaan naar materiaal om een slaapplaats te creëren. Hij vindt er massa’s hooi en zelfs enkele dekens. Als een kerstkind in de kribbe legt hij zich te rusten. Uitgeput valt hij in slaap.
‘Heerlijk zo’n saunabeurt. Wat heb ik hier naar verlangd’. Hij wordt zich langzaam bewust van het aroma dat zijn neus prikkelt. Een Finse geur die hem herinnert aan een midzomersauna-ervaring. Half wakker, half slapend vraagt hij zich af of iemand zich vergist heeft bij de ‘aufguss’. Hij ruikt immers berk. Berk? Geen hooi? De herinnering aan gisterenavond dringt langzaam tot hem door. Geen hooi maar berk? Met een ruk opent hij de ogen. ‘Waar ben ik, wat doe ik hier,’ vraagt hij zich verdwaasd af. Vanop de grond glijdt zijn blik langs de witte afbladderende bast naar de kruin van een berk. Niet begrijpend springt hij op en kijkt rond. Allemaal berken. Hij staat zowaar in een berkenbos. Voor de tweede dag op rij wordt hij vanuit een droom naar een voor hem onbekend gebied gekatapulteerd. Gisteren naar de bergen, vandaag naar een bos. Wat gebeurt er toch? Wat gebeurt er met mij? Er is hier geen levende ziel te bespeuren. Zou hij om hulp roepen? Wie niet waagt, niet wint, denkt hij en roept ‘Hallo, hallo, is daar iemand?’. ‘Iemand, mand, man, ma…’ keert als een boemerang terug. Hij is niet bang. Hij is niet boos. Hij is verdrietig, omdat hij niet begrijpt wat hem overkomt. Intuïtief richt hij zich naar een berk, vraagt toestemming om dichterbij te komen, voelt zich welkom, stapt rondom de boom tot hij een opening ervaart waartegen hij aanleunt, hart tegen hart. Terwijl zijn handen de bast zacht aanraken, legt hij zijn linker oor tegen de stam, luistert, ademt in en ademt uit. Hij wordt rustig, geeft zich over aan wat is. Zijn verdriet verdwijnt.
5.
Er zit niets anders op dan weer op pad te gaan. Maar welke kant op? Gisteren was het eenvoudig. Hij koos de weg naar beneden, boven had hij immers niets te zoeken, laat staan te vinden. Hij neemt afscheid van de berk, dankt haar voor haar troost en vraagt naar een teken om hem de weg te wijzen. Terwijl hij zich naar het pad begeeft trekt een eekhoorn wat verderop zijn aandacht. Hij blijft aandachtig kijken hoe het diertje zich achter een stam verstopt. Zijn staart verraadt echter dat hij vliegensvlug naar beneden trippelt richting een tweede boom, omhoog, omlaag richting een derde boom. Het lijkt wel of hij in de goede richting wordt gegidst. Vol vertrouwen stapt hij verder door het bos. Nu pas wordt hij zich bewust van zijn gemakkelijke tred. Geen wonder, hij draagt zijn wandelschoenen. Hoe kan dat? Hoe? Waar? Wat? Die vragen dreigen hem te overspoelen maar al vlug wint zijn vertrouwen het van zijn wantrouwen. Hij voelt zich geleid, zelfs begeleid, ook al weet hij niet door wie noch waarom. Terwijl hij verder stapt kijkt hij recht voor zich uit, in de hoop een wandelaar of een huis te bespeuren. Hij kijkt ook links en rechts tussen de stammen en naar de kruinen waar hij vogels wel hoort maar zelden ziet. De meest luidruchtige zijn de merels, zwarte mannetjes en donkerbruine vrouwtjes. Wellicht beschouwen ze hem als gevaar want hij hoort regelmatig een schel geluid met zeer hoge tonen. Zo waarschuwen ze andere bosbewoners, zoals de boomkruiper met zijn explosieve roep die klinkt als ‘tsieet’. Die heeft een hoog, versnellende zang die eindigt met een triller die lijkt op de hoge zang van de merel. Tijdens het stappen oogst hij de vruchten van zijn excursies met Natuurpunt.
Plots hoort hij een luide, hese schreeuw die hij toeschrijft aan een gaai. Er volgt nog een schreeuw en nog een. Hij scant de omgeving af want die schoonheid wil hij absoluut zien. Hij krijgt echter geen Vlaamse gaai maar een peuter in het vizier die heftig met zijn armpjes zwaait. Een kind? Alleen? Hier? In het bos? Hoe? Waarom? De eerste gedachte die bij hem opkomt is dat het net als hij naar dit bos werd gekatapulteerd. Hij stevent op het jongetje af maar matigt zijn snelheid wanneer hij merkt dat de peuter niet op een boomstronk maar in een rolwagen zit. Met heftige handgebaren nodigt het kind hem uit om dichterbij te komen. ‘Hallo, ik ben Andreas en wie ben jij?’ Er volgt een geluid maar geen woorden. ‘Kan je niet praten?’ De knaap schudt het hoofd en vraagt gesticulerend of Andreas zijn rolwagen wil duwen. ‘Gaan we samen op stap?’ De peuter knikt en geeft hem een vuistje. Geen gejengel onderweg maar samen naar de vogels luisteren, Andreas ziet het helemaal zitten. Nog meer dan voorheen is hij van plan om er vaart in te zetten. Gelukkig is het pad breed genoeg voor de rolwagen. Aan de snelheid waarmee hij de tocht verder zet hoopt hij binnen de kortste keren de bewoonde wereld te bereiken.
Daarin heeft zich misrekend want het pad loopt dood aan een beek. Over het water liggen twee kale stammen die het wandelaars mogelijk moeten maken om aan de overkant hun weg verder te zetten. Zonder zijn metgezel zou dat voor Andreas een koud kunstje zijn. Nu moet hij een andere oplossing bedenken. Hij wil zijn wandelmaatje op zijn rug dragen maar niet over die gladde stammen. Hij installeert de jongen op een grote steen langs de kant van het pad, stroopt zijn broekspijpen op, trekt sokken en schoenen uit en bergt ze op in de tas die hij van de rolwagen afhaalt. Tot zijn verrassing vindt hij daarin koffiekoeken, cécémel en een fles water. Hij klapt de rolstoel dicht en stapt voorzichtig over de platte stenen door het water, klapt de stoel weer open en keert langs dezelfde weg terug. Hij riskeert het niet om met natte voeten over de geïmproviseerde brug te lopen. Met de jongen op zijn rug legt hij hetzelfde traject af, zet hem terug in zijn vertrouwd transportmiddel, maakt nogmaals de oversteek om een laatste keer met de tas, zijn sokken en schoenen door het water te waden. Bij aankomst wordt hij bedacht met een applaus van twee kinderhanden. Tijd voor een pauze denkt hij en doet zich samen met zijn maatje te goed aan drank en mondvoorraad uit de tas vooraleer hij weer op pad gaat. Een uur later bereiken ze een open plek waarop een verweerde caravan staat. Zijn hart maakt een sprongetje. Ze hebben een veilige slaapplaats voor de nacht.
6.
De deur van de caravan is echter op slot. Waarom verwondert dit hem niet? Dat de sleutel niet onder de mat ligt vindt hij dan weer wel onlogisch. Er zit niets anders op dan een raam te forceren. Een geluid dat hij ondertussen kent weerhoudt hem echter. Het jochie wijst naar een kabouter. Andreas denkt dat hij het graag in zijn armen wil houden en kan aan dat verzoek niet weerstaan. Wanneer hij echter het stenen beeld optilt, komt de sleutel tevoorschijn tussen kronkelende pissebedden. ‘Wat een clever baasje,’ denkt hij. ‘Of beschikt hij over bijzondere gaven en maakt hij daarom deel uit van dit experiment?’ Hij zet de kabouter terug op zijn plaats zodat hij de handen vrij heeft om zijn kameraad binnen comfortabel te installeren. Hij hoopt dat de eigenaars het niet erg vinden dat hij gebruikmaakt van de inhoud van de voorraadkast om een eenvoudig avondmaal te bereiden. Hij negeert de dringende behoefte aan slaap en neemt toch nog de tijd om hem en het jong te verfrissen vooraleer ze onder de wol kruipen op een bank aan weerszijden van de caravan.
Andreas heeft onrustig geslapen en is vroeg wakker. Met gesloten ogen probeert hij de geluiden die hij hoort te lokaliseren en te herkennen. Het lijkt sterk op de klanken die het jochie gisteren liet horen, maar het is op een andere toon, eerder klagend. ‘Zou hij huilen?’ Hij opent zijn ogen om zich daarvan te vergewissen, maar het is nog pikdonker. Met zijn ogen dicht luistert hij opnieuw en vangt nu zachte herhalende geluiden op. Het lijkt wel of hij kleine golven op een strand hoort, afgewisseld met grotere golven die met meer kracht en intensiteit breken. Met een ruk zet hij zich recht. Euh? Onder zijn zitvlak voelt hij een veerkrachtig matras. Euh? Hij heeft zowaar de nacht in een bed doorgebrachti. De muffe geur van het dekbedovertrek heeft plaats gemaakt voor de geur van vers gewassen lakens aan de wasdraad op een zonnige lentedag. De frisse geur heeft wat weg van het waspoeder dat zijn moeder gebruikt. Zijn gewoonte om zijn lippen te likken terwijl hij nadenkt, levert hem de smaak van zout op. Zout? Hij houdt het niet langer uit, wil hier meer over weten en stapt resoluut het bed uit op zoek naar een raam. Hij trekt het gordijn opzij en ziet in het schijnsel van de maan een strand.
Intuïtief voelt hij dat dit een volgende stap is in een verhaal waarop hij geen vat heeft. Hij stelt vast dat hij opnieuw op een andere locatie werd gekatapulteerd. De zin en de bedoeling ontsnappen hem nog steeds maar het verloop van de twee vorige dagen schenkt hem vertrouwen. Meer zelfs, hij groeit bij de gedachte dat hij deel uitmaakt van een groot plan. Wanneer dit experiment achter de rug is heeft hij genoeg materiaal om er een boek over te schrijven. Bij gebrek aan schrijfgerief of een laptop zal hij een beroep moeten doen op zijn geheugen. Daarom wil hij nu de omgeving verkennen en alle details in zich opnemen.
Viviane Van Pottelberghe
28/12/2025

Ik heb echt genoten van wat je hier bijeen schreef, Viviane.
Ik ben ook benieuwd naar de opdrachten, maar het las als een trein. Mijn complimenten!
Dank dat je de moeite nam om dit eerste deel te lezen. Zoals je weet zijn de opdrachten niet van de poes. Het is voortdurend wikken en wegen hoeveel je prijs geeft om de volgende dag niet klem gezet te worden.
Het compliment doet me heel veel plezier. Ik zal je echter moeten teleur stellen wat de opdrachten betreft. Dat is intellectueel eigendom van de bedenker en ik wil dat respecteren.
[…] dagelijks mijn schrijfsel op de discordserver. Om mezelf te blijven motiveren deel ik deze week de eerste zes bijdragen en volgende week de laatste zes.**************Voor #SchrijfNest739 maakte ik vijf SIX WORD […]