Write-along #8 – Onder de radar

Op dinsdag 15 juli 2025 ging de achtste write-along (*) Onder de radar van start. Op deze blog deelde ik na dag 6 en dag 12 de spontane versie die ik op Discord had geplaatst. Hieronder deel ik de geredigeerde tekst die ik vandaag zal indienen om te worden opgenomen in een gedrukte versie met daarin de bijdrage van twee vrienden van ’t SchrijfNest: Ann Hudders en Tine Moerkerke.


ONDER DE RADAR IN RYCKEVELDE

Tien uur in de voormiddag. Op dit uur van de dag is het een drukte van jewelste op de hondenweide van Ryckevelde. Bij het verlaten van de fietsenstalling, waar ik mijn tweewieler achterlaat, arriveert een groepje wielertoeristen. Een van hen komt mij bekend voor maar ik kan mij niet herinneren waar we elkaar eerder hebben ontmoet. 

Ik start mijn wandeling aan de rechterkant van de kasseiweg die naar het kasteel loopt, op weg naar mijn oude vriend. Dat doe ik al jaren waardoor ik de evolutie van ‘gevaarlijke boom’ tot ‘afgetakelde boom’ op de voet kan volgen. Na mijn begroeting zet ik mijn wandeling verder, kriskras door het bos, met materiaal voor het geplande ritueel op zak. Aan een beuk die mijn aandacht vraagt hou ik halt. Dan pas  merk ik andere wandelaars op, waaronder de ‘bekende’ van de fietsenstalling. Ook honderden meters verder zie ik opnieuw dezelfde groep, een kilometer verder ook. Vreemd. Word ik gevolgd? Waarom? Ik heb een licht vermoeden en wil hen kwijtspelen. Maar hoe? Schuilen lukt hier niet, laat staan verschuilen. 

Wanneer de wielertoeristen aanstalten maken om plaats te nemen op het terras van het kasteel, zie ik mijn kans schoon. Ik loop het kasteel binnen. In het gebouw is het toilet enkel bereikbaar door het afdalen van een trap. Aan de buitenkant is die ruimte bereikbaar via een hellend vlak met op het eind een toegangsdeur die meestal op slot is. Daarom vraag ik aan een ober om die deur te openen voor een klant met een fysieke beperking. Na mijn verzonnen toiletbezoek verlaat ik via die deur het kasteel, onopgemerkt door de terrasgangers.

Ryckevelde heeft een waaier aan paden: natuurlooproutes, een pad voor wie minder mobiel is, wandel- en fietsknooppunten en een mountainbikeroute. Gelukkig ben ik hiermee vertrouwd. Het kost me dan ook geen moeite om zonder pottenkijkers de fietsenstalling te bereiken en huiswaarts te keren. Onderweg schiet het mij te binnen waar ik de ‘bekende’ van de fietsenstalling eerder heb ontmoet. Hij past in het plaatje van mijn vermoeden. 

Enkele weken geleden nam ik met vrienden van ‘t SchrijfNest plaats aan twee hoge tafels op het dek van de Lamme Goedzak. Toen de trossen werden gelicht ter hoogte van de Noorweegse kaai werden pen en papier boven gehaald en gingen mijn schrijfmaatjes aan de slag met de eerste schrijfopdrachten die ik voor hen had bedacht. Hun enthousiasme wekte nieuwsgierigheid bij andere passagiers. Met goedkeuring van de kapitein zouden wij enkele haiku’s en limericks op post-its achterlaten op diverse plekken op de boot. Het was de bedoeling dat onze teksten door de volgende lichting passagiers als straatpoëzie konden worden gelezen. Ter illustratie vertelde ik mijn vrienden dat ik tijdens de zomer wekelijks aan straatpoëzie doe. Op zondagochtend ga ik tussen tien en twaalf uur met bewuste aandacht wandelen in Ryckevelde. Ik laat mij dan door de natuur inspireren om elfjes of haiku’s te schrijven die ik in krijt achterlaat op houten afsluitingen en op de stam van beuken. Er ontstond aan de schrijftafels enige bezorgdheid over mogelijke schade aan de natuur, over het verstoren van het natuurlijk uitzicht en over vervuiling van het milieu. Anderen vonden deze korte poëtische teksten een positieve noot in een wereld waar nood is aan optimisme en humor. Dat geldt zowel voor door de natuur geïnspireerde haiku’s als voor limericks die vaak grappig zijn, soms met een ondeugende of verrassende pointe.

Nog voor de boot in Damme aanmeerde, werd ik benaderd door enkele medepassagiers. Ze voelden zich aangesproken door deze vorm van creatief mijmeren op papier. Ik bezorgde hen het adres van mijn website en nodigde hen uit om lid te worden van de facebook groep ‘t SchrijfNest Online, waar ze kunnen deelnemen aan een wekelijkse schrijfopdracht. Toen ik mij weer tot mijn schrijfmaatjes richtte, kruiste mijn blik die van een man … die ik mij nu herinner als de ‘bekende’ van de fietsenstalling.

De schrik slaat me rond het hart. Werd ik vandaag gevolgd, was het een inbeelding of puur toeval? Was deze ontmoeting al of niet eenmalig? 

Ik zet alle ingrediënten van mijn vermoeden op een rij:

  • de ‘bekende’ van de fietsenstalling is de man die mij op de Lamme Goedzak aanstaarde
  • hij zat naast de vrouw aan wie ik het adres van mijn website heb bezorgd
  • misschien heeft hij mijn relaas over de straatpoëzie opgevangen
  • misschien is hij geen voorstander van mijn creativiteit in Ryckevelde
  • misschien wil hij mij intimideren om deze vorm van straatpoëzie te verhinderen
  • misschien komt hij mij deze zomer elke zondag schaduwen in het bos
  • misschien is die man bekend bij de vrouw aan wie ik het adres van mijn website heb bezorgd
  • misschien heeft hij dat adres wel zelf aan haar gevraagd 
  • misschien kent hij daardoor de agenda van de vrienden van ‘t SchrijfNest.

Dat laatste wordt een probleem, want net vandaag – even voor middernacht – zal er op mijn website een aankondiging verschijnen met informatie over de volgende uitstap van de vrienden van ‘t SchrijfNest: ‘met bewuste aandacht wandelen’ in Ryckevelde. Hoe kan ik vermijden dat dit leidt tot een confrontatie met de deelnemers? Ik adem diep in en uit om rustig te worden. Dat werpt zijn vruchten af want ik herinner me dat een van de dames met wie ik op de boot heb gesproken ondertussen lid is geworden van ‘t SchrijfNest Online. Ik kan haar via Messenger contacteren. 

Ik wil haar uitnodigen voor een gesprek. Ik hoop oprecht dat zij mij kan helpen. Ik geef mezelf een schop onder de kont want de tijd dringt. Ik stort mij op een beproefde methode en maak weer een lijstje:

  • de computer starten
  • Messenger openen
  • woonplaatse vrouwelijke gesprekspartner opsnorren
  • zoeken naar een geschikte locatie voor onze date
  • een smoes met dringend karakter verzinnen
  • haar uitnodigen voor een ontmoeting vandaag
  • de locatie vermelden
  • meedelen hoe ze mij kan herkennen.

Dat laatste is niet onbelangrijk want ik wil daar enkel vermomd verschijnen. Op de koop toe verlaat ik mijn eigen huis niet meer zonder camouflage. Kwestie van het zekere voor het onzekere te nemen. Wie weet of de ‘bekende van de fietsenstalling’ hier in de buurt rond hangt.

Geen twee zonder drie. Ik maak opnieuw een lijstje:

  • Wat is het meest opvallende aan mijn uiterlijke verschijning? Mijn sneeuwwitte haren.
  • Hoe kan ik dat camoufleren? Met een pruik.
  • Hoe geraak ik op korte termijn aan een pruik? Eureka!

Dat ik ooit de pruik van mijn moeder zaliger vanuit emotionele overwegingen heb bewaard, dat is een meevaller. Enkel een pruik als camouflage is echter onvoldoende. Echt vermommen vergt iets meer inspanning en daarom trek ik naar mijn zolder. Net als mijn moeder kon ik het niet over mijn hart krijgen om de kist met kleding en rekwisieten van mijn overleden vader van de hand te doen. Het houdt de herinnering aan het tweede leven van papa levendig, dat van acteur in de plaatselijke toneelvereniging. 

Het is heet op zolder maar dat weerhoudt mij niet om in de kist te rommelen op zoek naar een hemd, broek, jas en een paar kousen. Met mijn armen volgeladen daal ik voorzichtig de trap af naar mijn slaapkamer. Ik wil mezelf in die ongewone outfit kritisch bekijken. Vader had meer dan een maatje meer dan ik. De kleding slobbert enigszins. Maar dat kan tellen als camouflage. Mits een paar extra zooltjes en goed dichtgetrokken veters passen zijn lederen schoenen mij perfect. Wanneer ik de deur van mijn kleerkast open, schrik ik. Het lijkt alsof mijn vader als acteur uit de grote spiegel stapt. Een hoed met brede rand en een grote zonnebril maken het plaatje compleet.

Om te checken of ik me op mijn date helemaal veilig kan voelen ga ik in deze outfit de deur uit. Ik maak een ommetje in mijn buurt terwijl ik oefen om zowel mijn armbewegingen als de cadans van mijn looppas bij te sturen. Blijkbaar met succes want ik word niet herkend door een buurman die ik tegen het lijf loop. Ik gedraag mij als een toevallige passant en vraag hem of er in deze omgeving openbaar vervoer is naar Ryckevelde.
‘Oh, ben jij een van die groene jongens?’
‘Pardon?’
‘Neem jij ook deel aan de klopjacht op vervuilers van onze bossen?’ 
Voor we afscheid nemen, verzeker ik hem van het tegendeel. 
Groene jongens? Een klopjacht? In Ryckevelde? De vragen die door mijn hoofd fietsen winnen het bijna van de aandacht voor mijn looppas en armbewegingen.

Die vragen blijven me bezig houden tot ik weer thuis ben. Terwijl ik de voordeur open, besluit ik om mijn plannen te wijzigen. Ik orden mijn gedachten met het beproefde recept, een lijstje:

  • ik annuleer mijn geplande afspraak met de vrouw die ik op de Lamme Goedzak heb ontmoet
  • ik gooi het over een andere boeg: ik zet een valkuil
  • op mijn website plaats ik toch een aankondiging voor ‘met bewuste aandacht wandelen’ op zondag van 10u30 tot 12u30 in Ryckevelde
  • plaats van afspraak zal worden meegedeeld aan wie gebruik maakt van het inschrijfformulier; wie weet kom ik op die manier in het bezit van de coördinaten van de ‘bekende van de fietsenstalling’ en/of van een van zijn trawanten 
  • aan de ingeschreven deelnemers die ik niet ken bezorg ik ‘het grasplein tussen het kasteel en de vijver’ als vertrekpunt
  • aan de deelnemers die ik bij naam ken deel ik mee dat de activiteit wordt afgelast wegens onvoorziene omstandigheden
  • gekleed in mijn vermomming zorg ik ervoor dat ik om tien uur een van de weinige parkeerplaatsen aan het kasteel kan innemen
  • ik zal mij met een rollator naar een terrastafel verplaatsen
  • van daaruit blijf ik het grasplein in de gaten houden.


Valkuil
staat op
punt. Vandaag kan
ik op stap gaan.
Ontspanning wacht, dat dacht ik.
Spanning stijgt als zijn foto opduikt
op ‘t gras in ‘t park in mijn buurt.
Ik hou mijn hart vast. ‘t Alarm slaat aan.


Aan de rand van dat stadspark zie ik Irène op een bank zitten. Het lijkt wel of ze de wacht houdt bij de foto van de ‘bekende’ van de fietsenstalling. Ik wil me uit de voeten maken maar het is te laat. Ook zij heeft mij gezien.
Ze wuift naar me terwijl ze met snelle tred in mijn richting komt. Ik kan geen kant meer op.
‘Ik ben gehaast’ flap ik eruit.
‘Geen probleem, ik loop wel met je mee. Heb je hem herkend?’
‘Wie?’
‘Doe niet flauw, ik zag je schrikken.’ 
‘Wie kent hem niet, zijn foto stond in de krant.’
‘Ben je bang van hem?’
‘Bang, ik? Waarom?’Driftig stappend vraag ik me af wat zij weet, suggereert of insinueert. Misschien is zij wel een van zijn trawanten. En hoe komt het dat zij mij in deze outfit heeft herkend?
Om me een houding te geven en tijd te winnen zoek ik naar een zakdoek en snuit mijn neus.
‘Waarom ben je zo zenuwachtig? Zo ken ik jou niet. Wat is er aan de hand? Kan ik je helpen?’
Het klinkt oprecht, maar kan ik haar wel vertrouwen?

Ze blijft aandringen en komt opnieuw met een vraag. ‘Heb jij iets met zijn actie te maken?’ 
‘Welke actie bedoel je?’
‘Zijn actie tegen milieuvervuilers.’
‘Ik ben geen milieuvervuiler.’
‘Dat weet ik, maar waarom schrok je zo toen je zijn foto zag?’
Ik overweeg om mijn vermoeden met haar te delen, want ze is duidelijk niet van plan om mij met rust te laten vooraleer haar nieuwsgierigheid bevredigd is.
‘Ik denk dat hij mijn straatpoëzie in het bos als milieuvervuiling beschouwt.’
‘Is zijn actie dan tegen jou gericht?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Waar ben je dan bang voor?’
‘Dat hij mij volgt in Ryckevelde.’
‘Wanneer?’
Niettegenstaande ik haar nog niet voor honderd procent vertrouw, laat ik mij ‘zondag!’ ontvallen.
‘Volgende zondag?’
‘Ja.’
‘Dat komt goed uit.’
‘Hoezo?’
‘Zondag staat er in het kader van een inburgeringstraject voor nieuwkomers een wandeling gepland in het kader van hun integratie in de Vlaamse samenleving.’
‘Prachtig, maar wat heb ik daar mee te maken?’
‘Als projectverantwoordelijke kan ik die wandeling in Ryckevelde laten starten, gecombineerd met taalondersteuning.’
‘Taalondersteuning?’
‘Ja, en hiervoor kan ik een beroep doen op een vrijwilliger, jij bijvoorbeeld!’
Dat is te mooi om waar te zijn, flitst het door mijn hoofd. Is dit puur toeval of werd dit bedacht om mij erin te luizen?
Ik neem een besluit want er is geen tijd meer te verliezen.
‘Irène, ik wil open kaart met jou spelen, maar dan verwacht ik van jou hetzelfde.’ 
‘Leg je kaarten maar op tafel.’
‘Waarom kom jij met dit voorstel voor de dag?’
‘Ik wil jou helpen’ is haar reactie.
‘Wil jij mij echt helpen of ben jij een trawant van die groene jongen? Doet hij op jou een beroep om mij zondag in de val te lokken?’ 
Ze kijkt mij stomverbaasd aan. ‘Ik een trawant, een milieu-activist?’
‘Ja, waarom niet?’
‘Ik kan dit beter aan jou vragen. Ben jij geen groene jongen dan?’
Het is nu mijn beurt om grote ogen op te zetten. ‘Ik, waarom denk je dat?’
‘Jij bent toch een natuurminnaar? Jij organiseert regelmatig ‘met bewuste aandacht wandelen’ in Ryckevelde, toch?’
‘Ja, wat is daar mis mee?’
‘Niets, maar reden genoeg om tegen milieuvervuiling te protesteren vind ik. Daarenboven is er nog die verkleedpartij. Sommige demonstranten dragen een mondmasker of een cape om niet herkend te worden. Jij gooit het over een heel andere boeg. Ik zou je niet herkend hebben mocht ik je …’

Terwijl ze even naar adem hapt, zie ik het moment schoon om de vraag te stellen die op mijn lippen brandt. ‘Wel, vertel mij dan maar eens hoe je mij zo-even wel hebt herkend.’
‘Als je wat rustiger wordt en mij laat uitspreken, dan zal ik dat graag uit de doeken doen. Kom, we gaan even zitten.’
Er zit niets anders op dan naast haar plaats te nemen.
‘Toen ik naar de bakker fietste zag ik hoe een man in deze tweedehands kledij uit jouw huis kwam. Ik merkte hoe hij moeite deed om zijn tred en zijn armbewegingen op elkaar af te stemmen. Ik vond het grappig en besteedde er verder weinig aandacht aan. Dat veranderde toen ik later opnieuw voorbij jouw huis fietste. Die man stopte ter hoogte van jouw deur, maar belde niet aan. Integendeel, toen ik nieuwsgierig achterom keek, zag ik hoe hij met een sleutel de voordeur opende. Een logé dacht ik. Toen ik die man zo-even in de richting van het stadspark zag stappen, bleef ik hem met iets meer aandacht bekijken. Om een of andere reden schoot hij in een lach. Het was warempel de lach van een vrouw. Meer zelfs, ik herkende jouw typerende lach. Ik heb dan ook niet voor niets lachyoga bij jou gevolgd. Het was zonneklaar, jij stak onder die vermomming en dat vond ik verdacht. Omdat ik er het fijne van wilde weten, heb ik naar jou gewuifd en stelde ik je heel wat vragen. Het voorstel van taalondersteuning was als test bedoeld.’
Ik ben sprakeloos maar wijzer. Zij staat aan mijn kant. Ik acht haar onschuldig en licht de rest van mijn verhaal toe waardoor zij overtuigd is van mijn onschuld.
Voor we van elkaar afscheid nemen zetten we alles op een rijtje: Irène maakt de afspraken met de deelnemers van het inburgeringstraject; ik doe het nodige om de vrienden van ‘t SchrijfNest warm te maken voor het element taalondersteuning; ik laat mijn vermomming thuis want ik voel me geruggesteund door Irène; we wijzigen zowel het startuur als de plaats van afspraak in Ryckevelde. 

Zondagmorgen tien uur. Voetgangers, fietsers en chauffeurs van beide groepen treffen elkaar op de parking aan het natuurgebied Schobbejakshoogte in de Lorreinendreef. De spanning die ik bij mijn aankomst voelde verdwijnt van zodra Irène verschijnt. Samen staan we sterk. Irène neemt het woord om iedereen te verwelkomen, om het verloop van de voormiddag toe te lichten en om mij en de vrienden van ‘t SchrijfNest voor te stellen aan de nieuwe burgers. Deze laatsten kijken vreemd op wanneer ze ons pen, papier en een harde kaft uit onze tas zien halen. Ik leg hen uit dat wij onderweg zullen noteren wat onze zintuigen waarnemen en dat wij deze notities zullen gebruiken om onze ervaringen poëtisch te verwoorden op papier. Ik stel hen gerust. Zij kunnen hiervoor hun smartphone gebruiken. Ik vertel voorlopig niet dat ze zullen worden uitgenodigd om een van hun schrijfsels op een milieuvriendelijke manier – met wit krijt – aan de natuur toe te vertrouwen. Irène heeft nog een laatste praktische mededeling in petto. Ze nodigt de vrienden van ‘t SchrijfNest uit om elk twee anderstaligen op sleeptouw te nemen en … Nederlands met hen te praten. Het valt mij op dat dit voorstel enthousiast wordt onthaald. Onderweg houden we regelmatig halt om met bewuste aandacht te kijken, te luisteren, te ruiken en te voelen en onze ervaringen vast te leggen, digitaal of op papier.

Na een uur bereiken we het brugje dat naar de groene zitbanken ter hoogte van de vijver leidt. Het is tijd om onze ervaringen in een korte poëtische tekst te gieten. Het elfje is hiervoor de eenvoudigste schrijfvorm: vijf regels tekst, achtereenvolgens een, twee, drie, vier woorden en een woord op de laatste regel. Ik rol een poster uit om dit te verduidelijken en deel mee dat de vrienden van ‘t SchrijfNest bereid zijn om te assisteren waar nodig. 

Irène en ik knipogen naar elkaar, want we zien dat de samenwerking vlot verloopt. Op de vijver blaast een licht briesje rimpels op het water die schitteren in de ochtendzon. Plots wakkert de wind aan en doet kruinen ruisen. Meer zelfs,  in enkele tellen gaat de wind als een wildeman tekeer. 
‘Krrrrrrrrrrrrraaaaaaaaaaak, boenke, boenke, boenke, boem boem!’ 
Aarde stuift op en vormt een mistgordijn.
Iedereen schrikt en springt op. Wie, wat, hoe, waar? 
Pas als de mist gaat liggen zien we dat de kruin van een oude beuk dwars over het pad en het brugje ligt waarover wij een kwartier eerder zijn gestapt.
We controleren of we niemand missen. Gelukkig, onze groep is voltallig en er zijn ook geen toevallige wandelaars slachtoffer geworden.

Na de eerste schrik komen de tongen los. Nervositeit in alle rangen. De straatpoëzie in het bos maakt geen schijn van kans meer. Op de koop toe komen uit alle richtingen nieuwsgierigen af op het geluid dat zich als een echo in het bos heeft verspreid. Tot overmaat van ramp herken ik onder hen de ‘bekende’ van de fietsenstalling. Hij stevent recht op mij en Irène af. 
‘Oh, wat een opluchting dat niemand van jullie gekwetst is.’
‘Dank u.’
Hij gaat verder. ‘We wisten door de aankondiging op uw website dat we u hier konden treffen maar we vonden u niet … tot nu.’
Irène trekt haar stoute schoenen aan. ‘Waarom wilt u ons vinden?’
Ik spits mijn oren.
‘Wel, enige tijd geleden …’

Een plots opgedaagde hulpverlener onderbreekt hem en maant iedereen aan om zich te verwijderen van de onheilsplek. 
‘Achteruit, iedereen achteruit, tot aan het verzamelpunt aan het kasteel.’ 
Ondertussen zijn ook een fotograaf en een journalist gearriveerd. De digitale tamtam werkt sneller dan snel.
De ober van dienst nodigt ons uit om op het terras plaats te nemen en deelt mee dat de kasteelheer iedereen een drankje aanbiedt om te herstellen van de shock. 
De ‘bekende’ van fietsenstalling komt naar het tafeltje van Irène en mij. ‘Mag ik er bij komen zitten? Dan vertel ik jullie mijn verhaal’.
Ik knik instemmend, Irène met iets meer enthousiasme. Zij wil het mysterie eindelijk opgehelderd zien.
‘Wij houden niet alleen van de natuur, wij respecteren haar ook. Het is in ieders belang dat we zorg dragen voor haar. Daarom ageren wij tegen al wie haar schade toebrengt en juichen wij alle initiatieven toe die de natuur in een positief daglicht stellen. Uw initiatief – hij richt zich tot mij – om op een milieuvriendelijke manier poëzie achter te laten in Ryckevelde trok mijn aandacht. Ik probeerde u hier onlangs te benaderen maar u verdween als sneeuw voor de zon. ‘Ik werd onlangs geïnterviewd door de journalist die je daar ziet.’
Hij wenkt de man. ‘Johnny, kom je even meeluisteren? Ik heb haar eindelijk te pakken gekregen.’
Hij vervolgt. ‘Ik hoopte dat u het interview zou lezen en mij contacteren, maar u reageerde toen niet op mijn uitgestoken hand, hopelijk nu wel. Ik ben Robert, aangenaam.’
‘Viviane, aangenaam.’
‘Zie je wel’, reageert Irène terwijl ze mij lachend aanstoot. ‘Geen wonder dat ik jou als een van zijn trawanten aanzag.’
‘En wie bent u?’ vraagt Robert.
Ze reikt hem de hand. ‘Irène, aangenaam.’
‘En wat is uw relatie met de schrijfmaatjes van Viviane?’
Irène ziet de kans schoon om wat promotie te voeren voor de bijzondere vorm van integratie die ze voor vandaag had bedacht.

Ik zie hoe de journalist aantekeningen maakt. Onverwacht vraagt hij of hij ons – Irène en ik – mag interviewen. Hij wil het niet alleen hebben over het ongeluk waaraan wij deze voormiddag zijn ontsnapt, maar vooral over ons gezamenlijke initiatief.
‘Ik ben zeker dat het Vlaanderen kan inspireren’ voegt Robert er fijntjes aan toe.

Viviane Van Pottelberghe

(*) Een write-along betekent: tegelijkertijd met andere deelnemers werken aan eenzelfde project, waar je 12 dagen lang, elke dag een kleine schrijfopdracht per mail ontvangt. Aan het eind van die periode heb je een kort verhaal geschreven! Een write-along is er voor iedereen die van schrijven houdt: taalprofessionals en amateurs. Er zijn geen toelatingseisen dan avontuurlijk zijn en perfectionisme kunnen loslaten. De uitwerking kan op de Facebookpagina of in de speciale Discordserver worden gedeeld. Ik ging voor het laatste.

Viviane Van Pottelberghe
30/8/2025

2 reacties

  1. […] Op de blog deelde ik reeds na dag 6 en dag 12 de spontane versie die ik op Discord had geplaatst. Hier kan je de geredigeerde tekst vinden die ik deze week heb ingediend om te worden opgenomen in een gedrukte versie met daarin de bijdrage […]

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *